Une passion pour la mécanique de précision
Een passie voor precisiemechaniek
Giulio Papi
L’horlogerie, est-ce une passion que vous cultivez depuis l’enfance ?
Ce qui me passionne depuis toujours, ce n’est pas l’horlogerie en tant que tel, mais bien la technique, qu’elle soit horlogère, automobile, aéronautique ou spatiale. Enfant, je bricolais de petites machines, comme un petit moulin à vent avec ses renvois d’angle et ses engrenages à cheville ; des mécanismes de coffre fort avec des combinaisons à 3 chiffres ; des automates dans lesquels il fallait introduire de la monnaie pour obtenir un bonbon, etc. Et, bien entendu, j’ai passé des heures à assembler des Meccano.
La passion pour l’horlogerie m’est venue plus tard, quand j’ai dû choisir un métier. C’était en 1979, j’avais 14 ans et j’étais en 9e et dernière année scolaire. A l’époque, personne ne choisissait l’horlogerie, car la région avait vécu une crise majeure, suite à la venue des montres à quartz. Mais mon père m’a dit que si j’étais le seul horloger de la région, j’aurais du travail toute ma vie… Je l’ai écouté. J’étais l’unique apprenti horloger de l’école et mon maître horloger, qui était capable de construire une montre de A à Z, m’a transmis la passion du métier.
Quel fut votre premier emploi ?
Mon objectif était de développer des montres à complications. J’ai fabriqué une montre squelette de mes mains et me suis présenté chez Audemars Piguet (AP) en octobre 1984. J’ai été engagé, mais pas pour développer des montres à complication. J’ai donc rapidement décidé de créer mon propre atelier, avec mon ami Dominique Renaud. C’était en 1986. J’avais alors 21 ans et beaucoup d’ambitions. Il en fallait, car le marché des montres à complication était moribond… Après trois mois de galère, nous avons rencontré Mr. Blumlein, directeur chez IWC, pour qui nous avons développé une montre à répétition minutes modulaire. La conception dura deux ans et nous donna des ailes. Les projets se sont ensuite succédés à une cadence incroyable. A tel point qu’en 1990, nous avons décidé de créer notre propre manufacture. En 1992, la maison Audemars Piguet (AP) s’est associée avec nous. Aujourd’hui, notre entreprise compte environ 170 employés, dont la moyenne d’âge se situe aux alentours de 25 ans.
Selon vous, quelles sont les similitudes entre le monde de l’horlogerie et celui de l’automobile ?
Le lien se tisse au niveau de l’aspect pratique, de la mécanique, de la beauté et de l’aspect ludique. Le plaisir est total si l’objet est pratique, technologique, beau et amusant. C’est ce à quoi je pense quand je conçois une montre. Il en va de même pour l’automobile, bien qu’aujourd’hui, l’électronique prenne le pas sur l’aspect mécanique. Je trouve cela moins passionnant. Ce qui me fait rêver, c’est une automobile conçue comme une machine mécanique efficace.
Vous auriez aimé travailler dans le domaine automobile ?
La mécanique automobile m’a toujours intéressé. J’ai d’ailleurs songé en faire mon métier. J’ai choisi l’horlogerie car j’ai toujours vécu dans une région au passé horloger, mais si j’avais habité Stuttgart ou Maranello, je me serais sans doute tourné vers le domaine automobile, où j’aurais aimé travailler au niveau du design, de l’ingénierie et de la mécanique, afin de peaufiner les techniques, comme je le fais en horlogerie.
Quelles sont les voitures qui vous font rêver ?
Si je ne devais en choisir qu’une, j’opterais pour l’Alfa Romeo 33 Stradale de 1967. Dessinée par Franco Scaglione et carrossée par Marazzi, cette voiture se dote d’un châssis composé d’un mélange de tube en acier et en alliage de magnésium. Quarante années sont passées, mais la voiture est encore magnifique et ses prestations étonnantes : son petit 2 litres V8 atmosphérique à injection mécanique, quatre arbres à came en tête et deux bougies par cylindre, la propulse de 0 à 100 km/h en 5,6 secondes et lui permet de pointer à 260 km/h.
La sonorité du moteur me fait encore hérisser les poils… bien que je ne l’ai entendue qu’à la télévision. Eh oui, la voiture n’a été construite qu’à 18 exemplaires et ne restera sans doute pour moi qu’un rêve…
Quels sont les pilotes qui vous marquent particulièrement ?
Ferdinand Porsche l'appelait « Le plus grand coureur d'hier, d'aujourd'hui et de demain ». Je pense à Tazio Nuvolari, une vraie légende de la course historique. Sa détermination, proverbiale, le conduisit à courir même lorsque la voiture perdait ses pièces ou brûlait ! Personne ne sait si c’est un canular, mais une photo légendaire le montre en train de piloter une voiture en pleine course sans volant, en tenant le carré du manchon avec une clé… Beaucoup d’autres histoires tournent autour de cette légende de la vitesse. De manière générale, je pense que les grands pilotes de course ont quelque chose de plus que le commun des mortels. Un don de la nature que je ne pense pas posséder...
De uurwerkenmakerij, is dat een passie die u reeds van in de kindertijd koestert?
Wat me van kindsbeen af steeds heeft geboeid, is niet zozeer de uurwerkmakerij, maar wel de techniek. En dat kon dus uurwerktechniek zijn, maar net zo goed techniek die te maken heeft met auto’s, met luchtvaart of met ruimtevaart. Als kind knutselde ik allerlei toestelletjes in elkaar, zoals een windmolentje met een speciale overbrenging en tandwieltjes; brandkastmechanismen met 3-cijfercombinaties; automaten waarin je dan een muntstuk moest werpen om een snoepje te krijgen enz. En uiteraard was ik uren zoet met het in elkaar steken van mijn Meccano.
De passie voor de uurwerkmakerij is pas veel later gekomen, toen ik voor een stiel moest kiezen. Dat was in 1979, ik was toen 14 en zat in m’n 9e en dus laatste jaar secundair. In die tijd koos je niet voor het vak van horlogemaker, want de regio waar ik woonde, had een zware crisis achter de rug door de komst van de kwartsuurwerken. Maar mijn vader zei me dat ik, als ik de enige horlogemaker in de regio zou zijn, werk zou hebben voor de rest van mijn leven … Ik heb naar hem geluisterd. Ik was de enige leerling-horlogemaker van de school en mijn leraar-horlogemaker, die een uurwerk van A tot Z in elkaar kon steken, heeft me de passie voor het vak doorgegeven.
Wat was uw eerste werkervaring?
Mijn doel bestond erin complicatieuurwerken te maken. Ik maakte zelf een skeletuurwerk en ging daarmee aankloppen bij Audemars Piguet (AP), dat was in oktober 1984. Ik werd aangeworven, maar niet om complicatieuurwerken te ontwikkelen. Ik kwam toen snel tot het idee om een eigen atelier te beginnen, met mijn vriend Dominique Renaud. Dat was in 1986. Ik was toen 21 en liep over van de ambitie. En ambitie had je wel nodig, want de markt van de complicatieuurwerken was op sterven na dood … Na drie maand wroeten, liepen we meneer Blumlein tegen het lijf, directeur bij IWC, waarvoor we een modulair uurwerk met minutenrepetitie hebben ontwikkeld. Met het ontwerp zijn we twee jaar bezig geweest en dat gaf ons vleugels. We hebben toen het ene project na het andere op de rails gezet. Tot we in 1990 de stap naar onze eigen manufactuur zetten. In 1992 ging Audemars Piguet (AP) met ons in zee. Vandaag heeft onze onderneming ongeveer 170 mensen in dienst, met een gemiddelde leeftijd van 25 jaar.
Wat zijn volgens u de gelijkenissen tussen uurwerken en auto’s?
Ik denk dat we die kunnen situeren op het niveau van het praktische aspect, de mechaniek, de schoonheid en het speelse aspect. Het plezier is totaal wanneer het object in kwestie, praktisch, technologisch, mooi en amusant is. Dat zijn de dingen die ik het achterhoofd hou wanneer ik een uurwerk ontwerp. Voor auto’s is dat net zo, ook is de elektronica vandaag belangrijker geworden dan de mechaniek. Dat vind ik veel minder opwindend. Wat me aan het dromen brengt, is een auto die wordt gemaakt als een doeltreffende mechanische machine.
Had u graag gewerkt in de automobielsector?
Automechaniek heb ik altijd zeer interessant gevonden. Ik heb er trouwens even over nagedacht om daar mijn beroep van te maken. Ik heb dan uiteindelijk gekozen voor de uurwerkmakerij omdat ik vandaan kom uit een regio met een horlogeverleden. Maar had ik nu in Stuttgart gewoond of in Maranello, dan was ik zeker in de automobielsector gestapt, waar ik dan iets zou gedaan hebben met design, engineering en mechaniek, met de bedoeling de technieken te verbeteren, zoals ik dat nu doe in de uurwerkmakerij.
Welke auto’s brengen u aan het dromen?
Als ik er één zou moeten kiezen, dan zou dat de Alfa Romeo 33 Stradale uit 1967 zijn. Die auto, waarvan het ontwerp van de hand is van Franco Scaglione en de carrosserie het werk is van Marazzi, heeft een chassis dat bestaat uit een mengeling van stalen buizen en een magnesiumlegering. We zijn nu veertig jaar verder, maar de auto is nog altijd prachtig en zijn prestaties blijven indrukwekkend: de kleine atmosferische V8-tweelitermotor met mechanische injectie, vier bovenliggende nokkenassen en twee bougies per cilinder, stuwt de bolide van 0 naar 100 km/u in 5,6 seconden en haalt een top van 260 km/u.
Het geluid van de motor bezorgt me ook nu nog steeds rillingen… ook al heb ik dat alleen maar op de televisie gehoord. En ja, van die auto werden maar 18 exemplaren gemaakt, wat maakt dat die altijd wel een droom zal blijven voor mij …
Welke piloten blijven u het meeste bij?
Ferdinand Porsche noemde hem “De grootste coureur van gisteren, vandaag en morgen”. Ik denk dan aan Tazio Nuvolari, een echte legende uit de historische racerij. Zijn spreekwoordelijke vatberadenheid bleef hem aan de gang houden, ook al verloor z’n bolide onderdelen, of schoot die in brand! Niemand die weet of het trucage is, maar er bestaat een legendarische foto waarom Nuvolari in volle actie te zien is in een race, “aan het stuur” van een bolide…zonder stuur, en waarbij hij de stuurstang manipuleert met een sleutel… En er circuleren nog andere historische verhalen rond deze legendarische snelheidsduivel. In het algemeen denk ik dat grote racepiloten wel iets meer hebben dan de gewone sterveling. Een gave van de natuur, en ik denk niet dat ik die heb...

